1805 - Trijntje Douwes

Tekst overgenomen uit “Een kijkje in de geschiedenis van Schellinkhout” – Piet Boon (1977), uitgave Historisch Genootschap Oud Westfriesland. Er is geen toestemming bekend of de tekst mag worden weergegeven maar op de website van het Historisch Genootschap is het boekje volledig te lezen. De tekst is hier opgenomen omdat in deze gebeurtenissen Pieter Kamer en zijn vrouw Aafje een grote rol spelen.

Er is ook een samenvatting van deze periode beschikbaar.

De Rechtspraak

In het algemeen verliep de rechtspraak in het verleden wat anders dan nu. Zo waren bepaalde martelingen om een gevangene tot een bekentenis te dwingen bepaald niet ongewoon. Ook in Schellinkhout kwamen dit soort praktijken voor. Zo vroeg Pieter Sijms, de schout van Schellinkhout, op 31 augustus 1635 toestemming aan de schepenen om ten behoeve van het verhoor van de gevangene Cornelis Roelingsz. de scherprechter te mogen ontbieden. Dit verzoek om de gevangene aan een scherper examen te mogen onderwerpen, werd toegestaan. Dit 'examen' kon op verschillende wijzen plaats vinden: met de duimschroeven, met scheenijzers of met gewichten om de ledematen op te rekken. In Holland werd ook geseling wel gebruikt om een bekentenis los te krijgen. De Franse tijd bracht in dit opzicht ongetwijfeld verbetering. Op 19 maart 1795 ontving het dorpsbestuur een plakkaat, dat gebood om de oude, barbaarse overblijfselen van galgen, raden en geselpalen op velerlei plaatsen langs de openbare weg te verwijderen. Of Schellinkhout een dergelijke plaats had is wel waarschijnlijk, maar waar die plaats dan is geweest is niet bekend. Mogelijk was het Galgeveld op de Wijmers de plaats die door Schellinkhout en Wijdenes gezamenlijk werd gebruikt.

spacer (1K)

Zoals reeds eerder werd vermeld, vond de rechtspraak in het dorp zelf door schout en schepenen plaats. Dorpsbewoners mochten ook alleen voor het gerecht van hun eigen dorp worden gedaagd. Het is dan ook begrijpelijk dat rechtszaken het dorp dagenlang in de ban konden houden. Een zaak, die het dorp in 1804 en 1805 niet dagen-, maar maandenlang bezig hield, was die van Trijntje Douwes. Hoewel deze zaak uit historisch oogpunt bezien misschien niet zoveel nieuws oplevert, is de zaak zo uniek dat ik er toch uitvoerig op wil ingaan.

Opschudding in het dorp

Trijntje Douwes woonde met haar moeder en enkele broers en zusters in het zuidend in een klein huisje vlak aan de dijk. Haar vader, een eenvoudige dagloner, was enkele jaren tevoren overleden. Trijntje was begin 1805 18 jaar oud en werd zoals uit één van haar verklaringen bleek, met Hoornse Sint Lourens 19 jaar. Op 25 februari 1805 legde zij op verzoek van Pieter Graaf, president-schepen en waarnemend schout van Schellinkhout, een verklaring af over een aantal gebeurtenissen, dat vooral in het voorgaande jaar zou hebben plaats gevonden. Een belangrijke rol daarin speelde het echtpaar Pieter Kamer en Aafje Jans, waar Trijntje vaak als werkster kwam en die vlak in de buurt woonden. Hun schoonzoon Willem van Gulik was een buurman van Trijntje, Zijn vrouw was jong overleden en hun dochtertje, Aafje geheten, werd door haar grootouders Pieter Kamer en Aaf Jans opgevoed.

De relatie tussen Pieter Kamer en Aaf Jans enerzijds en hun schoonzoon Willem van Gulik anderzijds was niet al te best. Zo hadden de beide eerstgenoemden Trijntje Douwes - aldus haar verklaring - verschillende keren trachten te bewegen om legen een ruime beloning de kleren van hun overleden dochter uit het huis van Willem te stelen. Trijntje, die ook vaak bij Willem werkte, weigerde echter.

Op een zaterdag in het voorjaar van 1804 paste zij op het huis van Willem van Gulik, omdat die naar Hoorn was om de meid op te halen. Aaf Jans kwam toen binnen om met haar te konkelen, waarbij zij een achterling met krenten had meegenomen. Op een gegeven ogenblikstelde Aaf Jans voordat zij, Trijntje, het huis een tijdje zou verlaten, zodat zij het één en ander kon meenemen. Als Willem dan later zou vragen wat er was gebeurd, moest zij zeggen dat zij niet wist wie het had gedaan, Weer weigerde Trijntje en na een woordenwisseling verliet Aaf Jans het huis. Trijntje vertelde daarop het voorval in geuren en kleuren aan haar moeder, die de maandag daarop heel kwaad Aaf Jans hij haar liet komen. In aanwezigheid van Willem van Gulik ontstond er een heftige ruzie tussen Aaf Jans en Trijntjes moeder. Tenslotte zei de laatste: 'Ik hoop dat God één van jullie beiden een duidelijk teken zal geven, zodat we weten wie er liegt'. Aaf Jans zei daarop: 'Ik voel nog geen teken', maar Trijntjes moeder antwoordde: 'God straft niet op heterdaad maar te Zijner tijd’.

Poging tot vergiftiging

Kort daarna, op de dinsdag van de Palmweek, was Trijntje door Aaf Jans op de thee uitgenodigd. Pieter Kamer was bij de haard in slaap gevallen, toen zijn vrouw aan Trijntje vroeg of zij een stuk wittebrood lustte. Trijntje had er wel zin in en Aaf Jans ging naar het middelhuis om een stuk te halen. Na haar terug­komst zei ze: 'Hier, eet het maar stil op, zodat Pieter Kamer het niet merkt en geef Aafke (haar kleindochter) er maar niet van die geef ik het zelf wel'. Toen ze het op had, voelde ze zich flink misselijk worden en ging maar gauw naar huis. Ze stapte nog even bij haar buurman Willem van Gulik binnen. Ze voelde zich echter steeds benauwder en in haar gezicht opgezwollen worden en zei dan ook tegen Willem: 'Willem ik ben zo benauwd, ik ben vergeven', waarop Willem zei: 'Mijn God, meidje, wat zeg je, vergeven? Hoe komt dat?' Zij had daarna wat lauw water met boter gedronken en toen in de groep van de koestal gebraakt. Een kat, die wat van het braaksel opat, was kort daarna gestorven!

Een dag later, toen zij nog steeds pijn had, liet Willem van Gulik de chirurgijn Jan Bruul komen, die haar aanraadde om zoveel mogelijk zoete melk te drinken. Nadat Trijntje dat veertien dagen lang had gedaan, was zij weer helemaal beter. Intussen was bij haar het idee steeds sterker geworden dat zij door Aaf Jans was vergiftigd, omdat die haar meermalen had gevraagd om voor haar rattekruid te halen.

Toen zij enige tijd later weer bij Aaf Jans was, vroeg de laatste haar hoe het met haar ging. Trijntje antwoordde: ‘Waarom vraagt u dat zo? Of vindt u het vreemd dat ik nog op deze wereld ben?', waarop Aaf Jans zei: 'Nee kind, dat is het niet, ik heb je vergiftigd, maar het spijt me ellendig. Ik heb veel berouw, maar ik heb het gedaan, omdat je moeder laatst zei dat God een teken zou geven aan diegene van ons beiden, die loog'. Aaf Jans vroeg haar om er maar verder over te zwijgen en liet haar voorts zien hoe zij met een mes, waarvan de punt was afgebroken, het rattekruid op de boterham had gedaan. Daarop vroeg zij Trijntje of zij de rest van het rattekruid maar wilde begraven. In de loop van die week had Aaf Jans aan Trijntje een paar kousen, een boezel, een flemmende rok en een gingan kleedje gegeven. De eerste drie dingen had Trijntje op rekening van Aaf Jans in de winkel van mr. Jan Bruul gekocht, voor het laatste had zij geld meegekregen.

In de hooitijd van het jaar 1804 zou Trijntje oppassen bij Willem van Gulik, die met zijn meid naar Wognum of Hoogwoud moest, en 's middags zou zij te gast gaan bij Pieter Kamer en Aaf Jans. Toen Trijntje daar uit het middelhuis kwam, was zij stilletjes op kousevoeten de gang opgegaan en had aan de kamerdeur staan luisteren. Pieter Kamer zei daar tegen zijn vrouw: 'Ik heb zo'n haat tegen Willem dal ik zijn huis wel in de brand zou kunnen steken'. Aaf Jans antwoordde daarop: 'Dat kunnen we niet. We hebben alleen maar platte zwavelstokken en daar heb je ronde voor nodig. Maar wacht 's, we hebben ronde onder de bedstee van Jan in 't Mandje' (hun knecht). 'Jonge, nee Aaf, dat kwaad is te groot, ik zal het maar niet doen. Jij moest maar liever zijn varkens vergiftigen'. 'Dat is goed. aanstaande zondag gaan ze weer uit. Als Trijntje de varkens voert, zal ik het stil in de emmers doen. Want als ik het in de zeunis doe, mocht ze het merken'. 'Dat is goed. Dan zal ik van de week naar Hoorn gaan om het te halen, want het moet koperrood wezen'.

Toen Pieter Kamer in de loop van die week aan Trijntje vroeg of Willem van Gulik die zondag nog zou uitgaan, antwoordde ze dat hij niet ging. Pieter Kamer vroeg daarop: 'Ach heden, waarom niet'. Trijntje zei dat Willem niet van huis durfde, omdat hij - Pieter Kamer - zijn varkens wilde vergiftigen.

Brandstichting

Enige dagen later, toen Trijntje 's avonds om een uur of half ... het huis van Freek Kok, waar ze die dag had gewerkt, uitkwam, zag ze Pieter Kamer bij de hooiklamp op het erf van Wiilem van Gulik vandaan komen. Zij zei goeienavond, maar kreeg echter geen antwoord. Toen Pieter echter bij haar kwam, zei hij: 'ben jij dat, Trijntje? Mijn vrouw en Willem zijn al naar bed, ik wilde je graag eens spreken'. Trijntje zei dat ze dat wel wilde, maar liever overdag dan bij nacht, waarop Pieter antwoordde: 'mijn kindje, wat geef je mij altoos kwaad bescheid. Als je met me meedoet, kun je alles krijgen wat je wilt. Dan zal ik ook voor je moeder zorgen, dan zijn we met ons vieren en dan zullen we Willem de blauwe trappen opjagen in plaats van dat Willem het mij doet'. Trijntje wilde natuurlijk niet en Pieter Kamer zei dat hij vol zou houden dat ze loog, als ze erover praatte.

Trijntje ging naar huis, maar maakte zich erg ongerust. Ze was bang dat Pieter Kamer de hooiklamp van Willem in de brand had gestoken. Daarom stapte ze weer uit bed, liep het erf van haar moeder rond, dat aan dat van Willem grensde, maar bemerkte geen onraad.

De volgende morgen stond ze vroeg op en ging naar het huis van Willem om hem te wekken. Bij de hoek van de hooiklamp vond ze een aantal ronde zwavelstokken, waarvan een aantal aangestoken was geweest en andere weer niet. Trijntje was geweldig geschrokken en had alle zwavelstokken meegenomen naar het huis van Freek Kok, waar ze ze in de aspot had verbrand. De volgende morgen, toen ze voor Freek Kok aan het schapen melken was. kwam de moeder van Wiilem van Gulik bij haar. Ze zei dat het zo maar een droevig leven was tussen Willem en zijn schoonouders. Hij wou daarover binnenkort eens met burgemeester Jacob Pietersz. Smit gaan praten. Trijntje vertelde haar toen dat ze zwavelstokken bij de hooiklamp had gevonden en toen zij de plek wilde aanwijzen, vonden ze opnieuw verbrande zwavelstokken. Inderdaad besprak Willem het één en ander met Jacob Smit. Daarop werd de schout op hoogte gesteld van de vondst van de zwavelstokken. Na een vergadering met de schepenen op 11 augustus 1804 werd besloten de volgende mededeling op drie plaatsen in het dorp op te hangen, te weten één aan de kerk, één aan de smederij (tegenover de pastorie) en één aan de kapberg van Pieter Kamer: Alzoo in den nagten van de 9 en 10 Augustus 1804 bij het huijs van Pieter Kamer, thans bewoond door Willem Gerritsz. van Gulik bij den agtersten hooijklamp is bevonden eenige zo aangestokene en onaangestokene swavelstokken te zijn gelegd, zekerlijk met oogmerk en opzet om gemelde hooijklamp in de brand te steken, zoo is 't dat iedereen die iets heeft gezien zich zal melden bij de Heer Hoofdofficier.

Enige dagen later liep Trijntje voorbij het huis van Pieter Kamer, toen Aaf Jans naar de poort kwam. Er was een woordewisseling tussen hen ontstaan, waarbij Trijntje haar vermoeden uitsprak dat Pieter Kamer de zwavelstokken bij de hooiklamp had neergelegd. Aaf Jans zei toen: 'Ja Bep heeft 't gedaan. maar als je het vertelt, zullen we zeggen dat je liegt'. Aaf Jans sprak gewoonlijk over Bep, als ze het over haar man Pieter Kamer had.

Het bleef enige tijd rustig, maar begin 1805 - en wel op de 4e februari - toen Trijntje naar de dijk ging om even naar haar moeders schapen te kijken, maakte Pieter Kamer bij het hek op dijk een praatje met haar en vroeg: 'Nou kind, wil je Freek Kok's hooi in de brand steken, dan zal Willem's huis ook wel verbranden en dan moet je nog een huis in de brand steken, het kan me niet schelen van wie, want dan zullen de mensen denken dat boosdoeners het hebben gedaan. Anders mochten ze nog denken dat ik het heb gedaan. Ik zal je er vijfhonderd guldens voor geven, de ene helft nu en de andere helft als het gedaan is, maar dan moet je zweren mei de ijselijkste vloeken, die je kent, dat je het aan niemand zuil vertellen!' Trijntje was erg van streek en zei dat ze het niet wilde doen. waarop Pieter zei: 'Nou dan zal ik het doen of laten doen!'

Inderdaad brandde in de nacht van !4 op 15 februari het huis van Freek Kok af. Toen Trijntje op de 18e februari Pieter Kamer op straat tegenkwam, vroeg zij hem of hij het nu voor minder dan vijfhonderd gulden gedaan had gekregen, waarop hij zei: 'Nee kind, ik heb het niet gedaan'. Huilend liep hij daarna zijn huis binnen.

De hierboven vermelde gebeurtenissen werden door Trijntje Douwes op 25 februari 1805 in een verklaring vastgelegd, welke verklaring zij ook onder ede bevestigde. In de daarop volgende dagen werden enkele andere dorpsbewoners verhoord, waaronder op 4 maart Pieter Kamer en Aaf Jans. Zij zeiden dat zij Trijntje kenden als een grote babbelaarster, die wel eens uitdrukkingen bezigde die hen niet aanstonden. Zij had bijvoorbeeld wel eens gezegd dat als het gewone werk haar niet aanstond zij wel voor hoer wilde spelen. Voorts ontkenden zij alle door Trijntje uitgebrachte beschuldigingen.

Een aanval op het secreet

Op 6 maart legde Trijntje opnieuw een verklaring af, nu over hetgeen haar de avond tevoren was overkomen. Toen zij in het schemerdonker naar het secreet bij haar moeders huis wilde gaan, kwam geheel onverwachts Pieter Kamer naar haar toe Trijntje wist nog precies hoe hij was gekleed: hij had een jas aan en een driehoekte muts op. Hij greep haar direkt bij de keel en drukte die zo hard toe dat ze niet kon schreeuwen. Daarbij zei hij tegen haar: 'Nou zal je d'r aan gaan en ik zal Willem ook vermoorden en het huis van Jacob Pietersz. (Smit) en Rens Hoorns moeten ook in de brand, omdat Jacob Pietersz. wat over mij heeft gezegd bij Teunis de Bakker en met Rens Hoorns heb ik wel 's ruzie gehad'. Verder had Pieter Kamer nog gezegd dat hij haar kralen zo ver weg zou gooien dat zij ze niet meer zou kunnen vinden. Toen had hij haar met de ene hand bij de keel en met de andere bij de arm van het secreet gesleept en haar vervolgens met een stuk touw vastgebonden. Trijntje was buiten kennis geraakt en wist niet wat er verder met haar was gebeurd. Pas de volgende morgen was zij weer bij haar verstand gekomen.

Op 8 maart - dus twee dagen later - werd aan Trijntje gevraagd of zij erbij bleef dat Pieter Kamer haar had aangevallen, Volmondig deed zij dat, maar inmiddels was uit verklaringen van anderen, o.a. van de 26-jarige Jan Bierhaalder, die sinds begin februari als knecht bij Pieter Kamer werkte, komen vast te staan dal Pieter zich op de door Trijntje genoemde tijd in zijn eigen huis had bevonden. De schout verzocht daarop om Trijntje in verzekerde bewaring te nemen en zij werd onder het raadhuis gevangen gezet. Op 12 maart volgde een eerste verhoor, dat echter weinig nieuwe gegevens opleverde. Op dezelfde dag werd Cornelis Ham als getuige gehoord. Hij was op 5 maart omstreeks halfzeven ten huize van Willem van Gulik, toen hij buiten plotseling een ontzettend geschreeuw hoorde. Daarop werd Trijntje het huis van Willem binnengedragen en iedere keer als zij de naam van haar aanvaller wilde noemen, !eek zij flauw te vallen. Vokeltje Floris, Trijntje's moeder, had toen gezegd dat het Pieter Kamer wel zou zijn geweest.

Een week later, op 19 maart, vond een tweede verhoor van Trijntje plaats, waaruit bleek dat Trijntje wel eens last van toevallen had, hier opstijgingen van de moer geheten. Bij een derde verhoor op 27 maart bleef Trijntje bij al haar beschuldigingen.

Begin april werd zij opnieuw door de schout A. R. Blok ondervraagd en nu bekende zij dat zij hem ten aanzien van het op 5 maart gebeurde had misleid. Toen zij die avond bij Dirk Laa.. vandaan kwam, was het idee bij haar opgekomen. Toen zij thuis kwam, had zij eerst de kaars opgestoken en was vervolgens naar een touwtje gaan zoeken. In het koehuis vond ze een staartlijnttje, dat het laatst als schaatseband was gebruikt. Daarmee liep ze naar de w.c. op het erf en onder het lopen rafelde ze het touwtje wat uit. Op de w.c. gezeten had ze het touw om haar hals en benen gebonden; vantevoren had ze haar kralen al afgedaan en in de onderwal van de sloot gegooid. Zo gebonden was ze de w.c. weer uitgegaan en tegen de dijk gaan liggen, waar ze een toeval kreeg, zodat ze niets meer wist van hetgeen er verder was gebeurd. De schout vroeg haar of zij nog iets tot haar verontschuldiging had aan te voeren. Trijntje zei slechts: 'Niets anders dan dat ik dacht dat Pieter Willem ongelukkig zou maken. Voor Willem heb ik het gedaan, dat is waar’. Op de vraag of zij ... nog geloofde dat Pieter Kamer het huis van Freek Kok in de brand had gestoken, antwoordde zij ontkennend. Trijntje dacht dat boosdoeners het wel zouden hebben gedaan.

Trijntje bekent

Stuk voor stuk moest Trijntje nu haar vroeger geuite beschuldigingen intrekken en op 7 mei legde zij een volledige bekentenis af. De geruchten, die zij gedurende het vorige jaar in Schellinkhout en ook elders had verspreid, bleken geheel ongegrond te zijn.

Weliswaar had Trijntje wel eens een gesprek afgeluisterd tussen Pieter Kamer en zijn vrouw, maar die hadden toen niet gesproken over het in de brand steken van Willem van Gulik's huis noch over het vergiftigen van Willem's varkens. Ook haar beschuldiging dat Pieter Kamer zwavelstokken bij de hooiklamp van Willem had neergelegd, bleek vals te zijn. Wel was Pieter Kamer die avond in de hooitijd bij de klamp vandaan gekomen maar hij had toen met Trijntje in het geheel geen kwaadaardig gesprek gehad noch haar voorstellen gedaan over het de blauwe trappen opjagen (vermoorden) van Willem. De zwavelstokken had zij zelf in de vroege morgen in twee hoopjes bij de hoek van de hooiklamp neergelegd. Eén hoopje had ze zelf weer we haald. omdat ze bang was dat Willem die zou vinden en in zijn kwaadheid ongelukken zou maken. Het andere hoopje, dat aan de andere kant van de hooiklamp lag. had ze daar gelaten en werd de volgende morgen gevonden door Lijsbeth Kieft, Willem's moeder. Bij het laatste verhoor had Trijntje hierover verklaard dat Aaf Jans haar had gevraagd de zwavelstokken neer te leggen om Wiilem een poets te bakken. Zij zou daarvoor dan een kerkboek met zilveren sloten en een hechtmes krijgen. Aaf Jans zou dan bewerkstelligen dat Pieter Kamer 's avonds laat bij Willem van Gulik vandaan zou komen, zodat Trijntje hem dan zou kunnen beschuldigen. Ook bleek Pieter Kamer haar nooit te hebben gevraagd om het huis van Freek Kok in de brand te steken. Toen zij echter door haar moeder werd gevraagd - toen dit huis in de brand stond - had zij onmiddeilijk gezegd 'God weet of Pieter Kamer dat niet heeft gedaan', alleen niet met de bedoeling om hem in een kwaad daglicht te stellen. Tenslotte bekende zij ook dat Pieter Kamer haar op 5 maart helemaal niet had aangevallen en dus ook niet tegen haar had gezegd dat het huis van Jacob Pietersz. Smit ook nog in de brand moest. Zij had dat alleen maar verteld om alles wat waarschijnlijker te maken en omdat ze bij geruchte had gehoord dat Jacob Pietersz. Smit en Pieter Kamer bij Teunis de Bakker ruzie hadden gehad. Zij had gehoopt dat Pieter Kamer daardoor wel in de knip (gevangenis) zou raken. Trijntje bekende voorts dat naar haar mening Pieter Kamer met de dood behoorde te worden gestraft, als hij inderdaad alle misdaden had begaan waarvan zij hem valselijk had beschuldigd.

De konklusie van schout en schepenen was dat Trijntje Douwes zich aan een opeenstapeling van misdaden schuldig had gemaakt. In het bijzonder aan het plegen van meineed, valse beschuldigingen, misleiding van de rechter en bedrog met het allerkwaadaardigst oogmerk en met alles, wat in haar vermogen was en gedurende een periode van meer dan tien maanden, om een onschuldig man de doodstraf te doen ondergaan. Bovendien hadden de ingezetenen van Schellinkhout door haar toedoen in die tijd voortdurend in angst en vreze geleefd. De eis van de officier in het tegen haar gevoerde proces was dan ook dat Trijntje zou worden gebracht naar de plaats, waar gewoonlijk de vonnissen werden uitgevoerd om daar op een speciaal opgericht schavot met een koord aan een paal te worden gewurgd tot de dood erop zou volgen.

Het vonnis

Op 7 mei 1805 werd het vonnis door de schepenen (Pieter Graaf, Reijlof Rob, Jan Krimpen, Rens Hoorns, Cornelis Timmerman, Tijmon Houter en Teunis Blokdijk) in aanwezigheid van de beide burgemeesters Jacob Pietersz. Smit en Dirk Pietersz. Laan uitgesproken. Zij veroordeelden Trijntje om op de hierboven genoemde plaats, staande op een speciaal op te richten schavot, het voorlezen van het vonnis aan te horen met een bord op de borst, waarop met grote letters geschreven stond: Valsche en Meynëedige Beschuldigster. Daarna zou ze met de roede tot bloedens toe worden gegeseld, terwijl zij voorts werd veroordeeld tot 30 jaar tuchthuisstraf. Daarna zou zij voor eeuwig uit het departement Holland worden verbannen. Ook de kosten van het proces dienden door haar te worden betaald. Het vonnis werd op 14 mei uitgevoerd. Uit het rekeningboek van de dorpskosten bleek hoe één en ander verliepen welke kosten ervoor werden gemaakt:

Voor het geselen en het aan- en afdoen van het schandbord door de scherprechter van Haarlem met reiskosten

42.16-

Voor het neerzetten en weer weghalen van het schavot uit Blokker

 

32.2-

Aan de dienaars (politie) van Hoorn voor naspeuringen naar een verdacht persoon

 

23.8-

Aan de dienaars van Alkmaar voor het brengen van Trijntje in het tuchthuis

 

7.4-

touwtje_Trijntje (29K)

Het touwtje, waarmee Trijntje Douwes zichzelf vastbond.
Gemeentearchief Schellinkhout (foto Klaas Laan)

De grootste post waren echter de honoraria en zegelgelden van de heren Van Broek en P.A. van Geldrop, die als advocaat en procureur de gemeente bij het proces assisteerden, wat niet minder dan 992 gulden koste. Dit was bijna evenveel als de gemeente Schellinkhout gewoonlijk in een heel jaar uitgaf! Of ze het proces er onbevooroordeeld konden voeren is wel een vraag, als we weten dat dezelfde P.A. van Geldrop de notaris was die het testament van Pieter Kamer en Aaf Jans verzorgde. Van het gehele proces bleef een compleet boekwerk bewaard, dat alle door de secretaris Herke Oijevaar opgeschreven verhoren, getuigenverklaringen en de bekentenis van Trijntje bevatte. Aan het eind daarvan werd nog één mededeling genoteerd, die een definitief einde betekende van deze opzienbarende geschiedenis. Op 23 juni 1809 ontving burgemeester Dirk Laan namelijk een brief uit Alkmaar, waarin het overlijden werd gemeld van de persoon waaraan in het voorgaande zoveel woorden werden gewijd. Trijntje Douwes stierf in het tuchthuis op 30 april 1809: zij werd op 1 mei op het kerkhof van Alkmaar begraven.

Naast het verslag van het proces zijner nog enkele op deze zaak betrekking hebbende dingen bewaard gebleven. In het gemeentearchief bevindt zich nog het touwtje, waarmee Trijntje zich-zelf op 5 maart 1805 in de w.c. op haar moeders erf vastbond. Verder is er nog een brief, die zij uit het tuchthuis naar haar moeder stuurde. Deze brief werd ongetwijfeld door iemand anders geschreven. Trijntje was de schrijfkunst namelijk niet machtig. De verslagen van de verhoren tekende zij steeds met een kruisje, Deze brief, die enigszins een idee gaf van de omstandigheden in het tuchthuis, had de volgende inhoud:

De 12 october Alkmaar Seereerwaarde Gelievde moeder en susters en broeders ik laat u weeten als dat ik in een schwaake Staad sijn maar toch niet slimmer ais het is geweest maar mijn gelievde moeder ik hoop dat gij de Seegen van god mag meede hebbe dat gij alle gesond sijd mag sijn want hoorde ik anders het soud mij van herten leed sijn mijn gelievde moeder als mijn Suster beter is dat hoop ik dat sij metteneersten na mijn mag toe kome en soo sij nog siek is dat gij het mij met ten eersten weeten laad en sture mij dan wat vis en wat suere appele want daar verlang ik soo na want ik gebruijk haast niets nu mijn Gelievde moeder en broeders en susters laatte wij maar op god vertrouwe die sal het wel maake soo het hem behaagd het leven is wel soet maar soo het mij salig was heï sterven mij liever want wat siet men hier anders als elende maar ik hoop het tog met de moed te houwen en ik hoop dat wij het alle daar mee houde sulle en dat gij de Seege van god mag genieten nu breek ik af met de pen maar ik blijf uw onderdanige dogter Treijntje Douwis. en verder de groetenis aan jacob pietersen en sijn kindere en aan dirk laan en verder aan alle bekende en ik hoop dat gij mij vaders magge sijn en tot voordeel van mijn gevangenis om verminderinge van jaare want dat gij aan soo een jonge bloem doet dat sal god dubbeld aan u en aan u kindere dat is mijn herte wens trijntje douwes. N. Soud u soon vrindelijk versoeke of gij tot diewertjes broer .. wild segge dat hij eerst bij haar komd want sij verlangt soo naar hem want sij heeft hem nog niet gesien soolang als sij in het verdriet sit en ik heb gehoord dal hij nu tot Schellinkhoud komt

Aan de buitenkant stond:
dese briev te besorgen aan cornelis schuyd bij de Westerpoort tot hoorn en af te geven naar Schellinkhoud aan vookke ... vlooris

 

myspace visitors